Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2495

2495 Materie en geest – Zichtbare en onzichtbare scheppingen

4 oktober 1942: Boek 33

Geest en materie zijn in zoverre aan elkaar tegengesteld, dat het geestelijke zich verenigt, terwijl de materie vergaat. Het geestelijke ontsnapt uit de vorm, maar de materie zelf vervluchtigt. Dat wil zeggen dat haar substanties verstrooid worden en zich over het geestelijke rijk verspreiden. De materie is dus de weg van al het aardse gegaan, want ze is niet duurzaam. Ze vergaat, zodra het geestelijke haar niet meer nodig heeft. Maar de goddelijke wil om te scheppen laat uit deze geestelijke substanties steeds weer nieuwe scheppingswerken ontstaan. Dus de materiële wereld, dat wil zeggen de voor de mensen zichtbare schepping, zal nooit ophouden te bestaan, omdat het geestelijke hierin zijn ontwikkelingsgang af moet leggen.

Er bestaan echter ook onzichtbare scheppingen, dus zodanige, waarin het geestelijke geen vast omhulsel nodig heeft, dus niet meer aan de materie gebonden is. Deze scheppingen zijn geestelijke scheppingen, die zodoende ook alleen maar geestelijk gezien kunnen worden en die daarom ook alleen maar door zulke wezens bewoond worden, die zo’n graad van rijpheid hebben, dat ze in staat zijn om geestelijk te zien.

Deze scheppingen verschillen van de scheppingen van de materiële wereld. Ze zullen door de mensen op aarde als niet bestaand genoemd worden, omdat deze scheppingen niet tastbaar of zichtbaar zijn. Ze staan echter in de nauwste verbinding met de zichtbare wereld. Want vanuit deze werelden wordt de aarde, dat wil zeggen haar bewoners, geestelijke beïnvloed om de materie als zodanig te overwinnen en zich in een staat te brengen, die ondanks de materie te bereiken is.

Wat uit dit geestelijke rijk komt, zal er steeds op wijzen om zich van de materie te scheiden, dus de vereniging met het rijpe geestelijke te zoeken en de materie als waardeloos, want vergankelijk, te verachten. Want het streven naar materie maakt de mens er onbekwaam voor om in het geestelijke rijk te kijken en dus ook ongeschikt om in een onzichtbare wereld te verblijven.

De materiële wereld is een wereld van strijd. De geestelijke wereld is een wereld van vrede. De materie is stof, uit geestelijke substanties gevormd, die nog geen enkele ontwikkeling noteren kunnen, maar hier nu aan beginnen, dus van God een taak toegewezen gekregen hebben om voor het opwaarts strevende geestelijke een omhulsel te zijn, zolang deze nodig is.

Maar in de grond van de zaak is de materie een van God uitgegane kracht, die de wil van God tot vorm liet worden, om door haar het gevallen geestelijke te verlossen.

Amen

Vertaald door Peter Schelling