Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2483

2483 De aardse taak van de dienaren van God

25 september 1942: Boek 33

Er bestaat werkelijk geen grotere taak op aarde, dan in dienst van God te staan en Zijn opdracht te vervullen, die erin bestaat Zijn woord in ontvangst te nemen en door te geven aan de medemensen. Wie het woord van God heeft, vindt ook de juiste weg, die naar God leidt. En daarom moet de mensen het woord van God gebracht worden, opdat ze de weg naar Hem vinden. En het is Gods wil, dat alle mensen tot Hem komen en daar hebben ze Zijn woord voor nodig.

En daarom onderricht God Zijn dienaren, die Zijn woord van Hem in ontvangst genomen hebben en nu ook ijverig werkzaam zijn om dit woord te verspreiden. Dit is een activiteit, die altijd het welgevallen van God zal hebben, omdat dit liefde voor de medemens veronderstelt.

Maar wie het woord heeft, moet ook in de liefde actief zijn, omdat alleen de werkzaamheid in liefde de mens in staat stelt om het goddelijke woord in ontvangst te nemen. En het goddelijke woord moet weer aansporen tot een werkzaamheid in liefde, want de mens komt er niet onderuit om dit kostbare geschenk door te geven, omdat zijn hart dit zelf als gelukkig makend ervaart en het geluk altijd mededeelzaam maakt.

Maar de opdracht om geestelijke goederen uit te delen is in zekere zin ook een verantwoordelijke opdracht, want alleen de waarheid moet verspreid worden en daarom moet degene, die God dient, er ook voor waken dat hij enkel de zuivere waarheid doorgeeft. Hij is uitverkoren om de waarheid van de leugen te scheiden en hij zal daar ook toe in staat zijn, zodra hij zelf de waarheid liefheeft. Hij zal elke dwaling direct als dwaling herkennen.

Maar nu moet hij opkomen voor dat, wat hij zelf als waarheid erkent. Pas dan dient hij God, Wiens wil het is dat de mensheid goed in de waarheid onderricht wordt en zodoende in de waarheid wandelt. God kan nooit toestaan, dat de dwaling naast de waarheid bestaat, want de dwaling is niet Zijn werk, maar die van de tegenstander. Bijgevolg moet al het onware bestreden worden en voor deze opdracht is de mens gesteld, die door het opnemen van het goddelijke geschenk het zuiverste besef heeft, dat hij zelf in de waarheid staat.

De zuivere waarheid is voor hem dus een kostbaar goed, zodat hij zich nooit meer tevreden zou kunnen stellen met onderrichtingen, die niet met de zuivere waarheid overeenstemmen. Bijgevolg zal hij ook de medemens niet af willen schepen met leringen, die hij niet staven kan, omdat hij in de liefde leeft en de zuivere waarheid als zodanig herkent. Zijn streven zal steeds zijn om ophelderend werkzaam te zijn en dit streven heeft steeds de zegen van God tot gevolg. Want Hij wil dat de waarheid verspreid wordt over de aarde, omdat de mens enkel door de zuivere waarheid tot de hoogte kan geraken.

Maar het streven van de mens zal ook van God uit ondersteund worden. Hij zal de mens leiden, zoals het goed is. Want als deze Hem wil dienen, plaatst hij zich geheel onder Zijn bescherming. Hij stelt zijn aardse leven bewust ten dienste van de medemensen. En waar liefde voor de naasten aanwezig is, daar moet onvermijdelijk succes geboekt kunnen worden. De mens moet zelf wetend worden en hij zal ook voortdurend met deze kennis werken, doordat hij zichzelf tot leraar vormt en de medemensen in erbarmende liefde probeert opheldering te geven om hun zielen opwaarts te doen gaan.

Amen

Vertaald door Peter Schelling