Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2478

2478 Een verminderd werkzaam zijn van de geest

19 september 1942: Boek 33

De kracht van de geest werkt onophoudelijk, zolang de mens zich naar de eeuwige Godheid toegetrokken voelt. Dat wil zeggen zolang hij het verlangen heeft om zich inning met God te verbinden en Zijn genade te ontvangen. Maar de kracht van de geest is niet altijd even sterk werkzaam, omdat ook het verlangen in de mens verschillend in sterkte tot uitdrukking komt.

Het sterke liefdesverlangen naar God geeft geen ruimte aan andere gedachten in het hart en daarom kan de geest uit God ook het hart vullen, omdat hem ongehinderd hier toegang tot verleend wordt. Maar zodra het verlangen zwakker geworden is, dat wil zeggen zodra de mens naast het verlangen naar God ook wereldse gedachten in het hart draagt, zijn aan het werkzaam zijn van de geest grenzen gesteld. Hij kan dus niet ongehinderd werkzaam zijn en wordt dus ook niet als buitengewoon actief ervaren.

Maar zijn werkzaam zijn blijft bestaan, totdat de mens meer aandacht schenkt aan de wereld dan aan God. Maar waar eerst eenmaal de geest uit God actief is, daar zal het wereldse verlangen het nooit winnen, want de mens wil het goddelijke geschenk niet meer missen en worstelt zich steeds weer naar de onbeperkte overgave aan God. De geestelijke kost bevredigt de mensen veel meer dan de vervulling door de wereld en daarom zal degene, die eenmaal geestelijke kost ontvangen heeft, daarnaar hongeren. Ook als de wereld met haar verleidingen steeds weer de aandacht trekt en de mensen zwak wil maken.

Het contact met de geestelijke wereld, dat door een vurig verlangen naar God tot stand gebracht wordt, is voor de mens de bron van de diepste wijsheid en als hij daar eenmaal uit geput heeft, dan bevredigt iets anders hem niet meer helemaal en daarom zal hij steeds weer naar dit water dorsten en zodra hij dorst heeft, ook gelaafd worden aan de bron van het eeuwige leven.

God verlaat de mensen, die naar Hem verlangen, niet, maar soms laat Hij hun de nood voelen om het verlangen naar Hem te verhogen, opdat de geest zich weer sterker kan uiten, want God kent de toestand van de ziel van elk mens en zodoende herkent Hij ook de zwakte van de zielen en het afnemen van de geestelijke honger. En zodoende laat Hij de mens af en toe gebrek lijden om hem zijn nood voor ogen te houden, als hij de genade van de hemelse Vader geringschat. En in zo’n nood vlucht het kind weer naar de Vader en het brengt de verbinding met Hem des te vuriger tot stand. En Gods kracht en genade stromen hem nu weer toe en aan het werkzaam zijn van de geest worden geen grenzen gesteld.

Amen

Vertaald door Peter Schelling