Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2477
2477 Hervormingswerk aan de ziel – Het aanschouwen van God
19 september 1942: Boek 33
De mensen moeten zich voorstellen hoe weinig ze rekening houden met hun zielen en hoe weinig ze daarom in staat zijn om geestelijke stromingen in ontvangst te nemen en deze op zich in laten werken. En het gevolg daarvan is, dat hun levenswandel op aarde hen geen geestelijke vooruitgang oplevert en het leven na de dood overeenkomstig daarmee is. Dat wil zeggen dat de ziel als onvolmaakt wezen noch de nabijheid van God, noch Diens uitstraling van liefde kan voelen en het leven in het hiernamaals dus zonder vreugde is, wat gelijkstaat aan een kwellende toestand, omdat enkel de nabijheid van God, die het toppunt van de eeuwige gelukzaligheid is, het geluksgevoel teweegbrengt. En dit te moeten missen is martelend, omdat dit hetzelfde betekent als krachteloosheid en een leven in krachteloosheid is een leven in passiviteit en dit kan eigenlijk geen leven genoemd worden.
En er bestaat geen ander middel om God te aanschouwen en dus ook tot een aanvoer van kracht uit God te komen, dan dat de ziel in het hiernamaals inhaalt, wat ze op aarde verzuimde: zich tot liefde te vormen en hiermee tot alle deugden, waar ze op aarde geen aandacht aan schonk. Enkel een volmaakte ziel kan tot de aanschouwing van God geraken. En daarom moeten alle fouten en zwakheden van tevoren afgelegd worden. De ziel moet veranderen. Ze moet zich zo vormen, dat ze aan God gelijk wordt, omdat de aanschouwing van God de vereniging met God vereist.
Op aarde is dit omvormingswerk van de ziel gemakkelijk, omdat de mens alles kan wat hij wil, door de hem voortdurend toegestuurde levenskracht. En de mensen gebruiken deze niet voor de omvorming van hun zielen, maar enkel voor aardse activiteiten, die voor het leven in het hiernamaals nutteloos zijn, tenzij deze uit een werkzaam zijn in liefde bestaan. Enkel die werkzaamheid, die tegelijkertijd een dienen in liefde is, draagt aan de omvorming van de ziel bij en deze dienende werkzaamheid in liefde wordt meestal pas dan uitgevoerd, als de medemens zich in nood bevindt.
Maar de mensen schenken geen aandacht meer aan de kleine noden van de medemensen en dat geeft God er aanleiding toe om een algehele nood over de mensheid te sturen om in haar de opwelling te helpen, op te wekken of te versterken. Want enkel de actieve naastenliefde vormt de menselijke ziel zo, dat haar toestand in het hiernamaals een heel gelukkige is. Dat ze in staat is om de uitstraling van God in ontvangst te nemen en in de aanschouwing van God de eeuwige gelukzaligheid kan proeven.
Amen
Vertaald door Peter Schelling