Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2460

2460 De grootheid en het wezen van de eeuwige Godheid

29 augustus 1942: Boek 33

Gods grootheid zal voor de mens pas duidelijk worden, wanneer zijn geest ontwaakt is. Maar ook dan is het onbegrijpelijk voor hem, omdat niets hem ter vergelijking aangeboden kan worden en de mens als zodanig niet in staat is om dit mysterie te ontsluieren. Want Gods grootheid is niet te toetsen aan aardse maatstaven. Het is ook geen veranderlijk idee. God zal tot in alle eeuwigheid het meest volmaakte, heiligste wezen blijven, zoals Hij sinds eeuwigheid was. En toch zal dit volmaakte Wezen Zich om het nietigste schepsel bekommeren, omdat het uit Zijn hand, door Zijn wil om lief te hebben, geschapen werd.

Maar het genadegeschenk van God stelt de mens in staat tot het uitvoeren van dat, wat God van de mens eist. En wat Hij van de mens eist, heeft zijn grondslag in Zijn eeuwige wijsheid en liefde en de mens kan gedurende zijn gang over de aarde niet begrijpen in hoeverre deze eisen met de wijsheid van God overeenkomen. Dit kan hem alleen maar in gelijkenissen en beelden begrijpelijk gemaakt worden, zodra de mens hier ontvankelijk voor is. En dit opnemingsvermogen is er weer afhankelijk van, of en hoe de mens de verbinding met God tot stand brengt. Dienovereenkomstig zal ook de mens in staat zijn om in het wezen van de Godheid binnen te dringen.

God kan niet verstandsmatig duidelijk gemaakt worden en net zomin kan Hij verstandsmatig begrepen worden. Maar hoe meer het verstand daarbij actief is, des te onduidelijker wordt het idee over de eeuwige Godheid voor de mens en hij kan geheel in verwarring raken, omdat het herkennen van de eeuwige Godheid niet van de scherpte van het verstand, maar van het gevoel van het hart afhankelijk is. Zodoende zal de mens, die in staat is om lief te hebben, zich gevoelsmatig een voorstelling kunnen maken van God, die eerder met de waarheid overeenkomt dan het beeld, dat de mens op grond van zijn verstand van Hem ontwerpt.

Maar de mens, die tot liefde in staat is, zal genoegen nemen met de door hem gevoelde voorstelling in het juiste besef, dat voor de mens, zolang hij nog over de aarde gaat, de grootheid van God nooit begrijpelijk zal worden. Toch zal hij ook Zijn besturen en werkzaam zijn niet onbegrijpelijk vinden. Hij zal de maatstaf niet langs aardse verhoudingen aanleggen, niet aan aardse effecten en aardse gebeurtenissen. Hij zal niet verstandsmatig piekeren en onderzoeken, maar slechts blindelings geloven dat alles wat God doet en laat gebeuren, goed en wijs is. En hij zal door dit geloof dieper in het wezen van de eeuwige Godheid binnendringen dan dit door nadenken daarover kan gebeuren, als de mens minder diep in de liefde staat.

God is liefde en kan alleen maar door liefde begrepen worden. God is geest en daarom kan er ook alleen maar een geestelijke opheldering gegeven worden. Dus moet ook dat als waarheid erkend worden, wat door Gods liefde aan de geest van degene, die zich tot liefde probeert te vormen, bekendgemaakt wordt. De ernstige wil tot dat laatste is absoluut noodzakelijk, want geestelijk streven is niet het verstandsmatig willen doorgronden van het bovenaardse, maar het werken aan zichzelf. Zich op te voeden tot liefdadigheid, zachtmoedigheid, verdraagzaamheid, geduld en barmhartigheid. Deze wordt naar de waarheid en tot het besef hiervan geleid, terwijl de ander steeds alleen maar piekert en onderzoekt, zonder tot een voor hem volkomen bevredigend resultaat te komen.

Amen

Vertaald door Peter Schelling