Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2435

2435 Het formuleren van de gedachten

3 augustus 1942: Boek 33

Elke gedachte wordt geformuleerd door de wil van de mens. Zodoende is de mens er in een bepaald opzicht wel verantwoordelijk voor van welke aard zijn gedachten zijn, maar hij is niet te beschouwen als de schepper van de gedachte. De gedachte wordt hem eerst gegeven. Het is niet dat deze gedachte door hemzelf ontstaat. Maar de mens geeft pas dan een uitdrukking aan de hem toegestuurde gedachten, als die met zijn aard overeenkomen. En daarom gelooft hij de schepper van zijn gedachten te zijn.

Weliswaar is hij ook bepalend voor welk gedachtengoed hem gegeven kan worden, omdat zijn wil deze kiest, want zijn wil kan net zo goed weigeren om het hem toegestuurde gedachtengoed naar zijn hersenen te leiden en zodoende het de mens tot bewustzijn te laten komen. Maar als de wil ervoor gekozen heeft om het gedachtengoed ook verstandsmatig te accepteren, geeft hij hem nu ook vorm. Dat wil zeggen dat de krachtstroom uit het geestelijke rijk nu dat wordt, wat de mens onder gedachte verstaat.

Want de gedachte is geestelijke kracht, die in samenhangende zinnen tot uitdrukking komt. Daarom wordt ook van eigen denken gesproken, omdat de mens zelf de zinsopbouw doet, omdat hij dat, wat hem geestelijk gegeven wordt, eerst zo formuleert, zodat het voor de medemensen begrijpelijk wordt. En dit formuleren van de gedachten komt met zijn aard overeen. Het zal steeds zo zijn, zoals de mens zelf het voor allen begrijpelijk houdt, omdat hij hetgeen hij ontvangen heeft graag door zou willen geven en daarvoor de meest geƫigende vorm zoekt. Zodoende kan wel in het algemeen gezegd worden, dat de mens zelf denkt, omdat hij enkel dat uit zal spreken, wat voor zijn wezen begrijpelijk is. Maar hij beseft niet dat elke gedachte als kracht uit een schepper gestroomd is. Dat hij deze gedachte alleen maar zo vormt, zoals het hem zelf bevalt.

Dit formuleren is weer een activiteit van de hersenen. Dat wil zeggen het benutten van de levenskracht, die elk mens toegestuurd wordt. Want deze bekwaamheid werd hem door God gegeven. Geheel onafhankelijk van de kracht van de schepper, dus eigenmachtig zich een geestelijke schat toe-eigenen, doordat deze van het hart naar de hersenen geleid wordt om deze verstandmatig te analyseren, dus het hem toegestuurde gedachtengoed door zijn wil zo vorm te geven, dat het als het ware een persoonlijk karakter aanneemt en het nu voor een eigen voortbrengsel aangezien wordt.

Amen

Vertaald door Peter Schelling