Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2426
2426 Het verzet tegen God vertraagde de belichaming als mens – Liefdeloosheid – Nieuwe aarde – Nieuwe verlossingsperiode
30 juli 1942: Boek 33
De ontwikkelingsperiode voor het geestelijke was zo vastgesteld, dat dit voor het vrij komen uit de vorm volop voldoende was, want wat zich in die tijd niet voor God wilde buigen, dat negeert ook elke verdere mogelijkheid tot een opwaartse ontwikkeling en alleen nog maar de hardste vorm kan de drang naar vrijheid opwekken, maar op geen enkele manier de laatste belichaming op aarde, waar het geestelijke zijn boeien niet meer zo knellend voelt.
Weliswaar werd door de ondenkbaar lange tijd van het gebonden zijn, zijn verzet in zoverre gebroken, dat het tot dienen besloten had. Dat het dus nu de vele stadia van opwaartse ontwikkeling door kon maken, maar hij deze wil weer in het laatste stadium als mens opgaf en geen enkele mogelijkheid gebruikte om zich definitief vrij te maken. Het verzet zich opnieuw tegen God, wat nu in een toegenomen liefdeloosheid tot uitdrukking komt.
En daarom wordt deze verlossingsperiode beëindigd. Het geestelijke treedt nu een nieuwe periode van haar ontwikkeling binnen. Het wordt dus opnieuw gebonden en nu gedwongen tot passiviteit, wat het nu dubbel voelt na de staat van gedeeltelijke vrijheid, die het al bereikt had. Deze geestelijke omwenteling, de geestelijk achterwaartse ontwikkeling, vereist ook een opnieuw vormen van de schepping, die dit geestelijke weer tot verblijfplaats moet dienen. Ze vereist een volledig andere inrichting en samenstelling van dat, wat als uiterlijke vorm het geestelijke nu toebedacht is.
Want dit geestelijke legt niet dezelfde weg op aarde af, maar er zijn zowel sterkere boeien nodig alsook andere activiteiten, zodra het weer tot zoiets toegelaten wordt. En bijgevolg zal de aarde, die nu ontstaat, nieuwe scheppingen laten zien, die geheel van de oude aarde afwijken. De aarde zal anders gevormd worden en het geestelijke talloze nieuwe mogelijkheden bieden om zich opwaarts te ontwikkelen.
Zo’n hervorming van de aarde is sinds eeuwigheid voorzien, want God kent sinds eeuwigheid de weerspannige wil van de mensen, die in de eindtijd van deze verlossingsperiode de aarde bewonen. Maar eerst gebruikt Hij nog alle middelen om het geestelijke tot het opgeven van zijn verzet te bewegen en hem een tweede gebonden toestand gedurende eindeloze tijden te besparen. Want de laatste middelen zijn leed en aardse nood in zo’n omvang, dat de mensen de weg naar God moeten nemen, als ze niet geheel verstokt van geest zijn en volledig met Hem breken.
Maar dan is elke terugkeer naar God uitgesloten. Het geestelijke moet zich aan een hernieuwd veranderingsproces onderwerpen, want ook in het hiernamaals bestaat er voor dit geestelijke geen ontwikkelingsmogelijkheid, omdat het hem aan elke liefde ontbreekt, dus ook elke kennis en pas de kennis in het hiernamaals maakt een geestelijke vooruitgang mogelijk. Maar de zielen, die in uiterste liefdeloosheid het aardse leven beëindigen, bevinden zich in de diepste duisternis en kunnen niet meer tot het licht geraken en de tweede gang door de schepping is de enige weg, die weer na een eindeloos lange tijd tot de belichaming als mens leidt en zodoende toch een keer de definitieve bevrijding kan brengen.
Maar deze hernieuwde gang op aarde is zo kwellend, dat het zwaarste leed op deze aarde, dat de mensen door moeten staan, alleen maar als genade te beschouwen is. Het kan toch het geestelijke, de ziel van de mens, voor een tweede gang over de aarde behoeden, als het als dat herkend wordt, wat het is: als een middel dat God gebruikt om het van Hem afgevallen geestelijke weer naar Zichzelf terug te leiden.
Amen
Vertaald door Peter Schelling