Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2425

2425 Het verzet tegen God vertraagde de belichaming als mens – Liefdeloosheid – Nieuwe aarde – Nieuwe verlossingsperiode

29 juli 1942: Boek 33

De toestand van het wezenlijke in de vorm is net zo lang kwellend, als het zich tegen God verzet. Dit moet zo begrepen worden, dat geen enkele dwang het wezenlijke zou bedrukken, als het zich niet tegen God zou verzetten. Dat het wezenlijke zichzelf dus in deze kwellende toestand brengt, maar zich daar ook altijd vrij van kan maken, als het zijn verzet tegen God opgeeft. En zo volgt daaruit, dat de opwaartse ontwikkeling van het wezenlijke, dus de terugkeer naar God, niet altijd dezelfde tijdsduur in beslag neemt, maar al naar gelang de wil van het wezenlijke snel of langzaam plaats kan vinden. En dit is de verklaring voor de steeds nieuwe generaties van mensen, die toch allemaal de aarde bewonen met hun geestelijke uitrijpen als doel en toch zulke verschillende tijden de gang over de aarde gaan.

Steeds en te allen tijde is de schepping het omhulsel van het geestelijke geweest en steeds en te allen tijde verzette dit geestelijke zich meer of minder tegen God. En zo legde het al meer naar God toegekeerde geestelijke zijn aardse levensweg in kortere tijd af en het kon dus ook vroegtijdiger het laatste stadium als mens doormaken.

Maar niet altijd bleef dit geestelijke in de belichaming als mens naar God toegekeerd, want hij ging vaak in zijn ontwikkeling achteruit, om welke reden er steeds en te allen tijde mensen waren, die op de verste afstand van God het aardse leven leefden en deze aarde ook als volkomen onrijp moesten verlaten. Maar vaak was een korte tijd in het hiernamaals voldoende voor dit geestelijke om tot inzicht te komen en nu met grotere ijver naar het licht te streven.

Terwijl het wezenlijke, dat zich in latere tijden als mens mocht belichamen, zich eerst nog lange tijd tegen God bleef verzetten en daarom viel hem ook pas na lange tijd de genade van de belichaming als mens ten deel. En dit wezenlijke faalde heel vaak in zijn laatste levensproef op aarde, waar het nu uit vrije wil zijn verzet tegen God definitief op moest geven. Daarom neemt ook de liefdeloosheid steeds meer de overhand, wat echter niet uitsluit, dat ook in deze laatste generatie, waarin het geestelijke naar de laatste verlossing dringt, mensen zich met bijzondere vurigheid naar God toekeren.

Maar meestal zal dit geestelijke het in zoverre hard te verduren hebben, als het zich moet handhaven tegen het geestelijke, dat zich tegen God verzet, dat er alles aan doet om zijn ontwikkelingsgang tegen te werken. En dus moet dit geestelijke strijden en als mens een moeilijkere aardse weg afleggen, dan voor het geestelijke in de vroegere perioden het geval was. Maar zijn wil is doorslaggevend voor wat betreft van welke aard en van welke tijdsduur deze strijd is. De wil moet sterk worden, zodat het geestelijke probeert zich te bevrijden uit zijn gebondenheid. Het moet in zekere zin in het aardse leven inhalen, want hem in eerdere stadia aan wil ontbroken heeft.

De mens moet naar God streven, waartegen hij zich eerder verzet heeft en hij moet deze strijd bewust voeren, zoals hij zich eens bewust tegenover God geplaatst heeft. De belichaming als mens zal zodoende des te hogere eisen aan hem stellen, naarmate deze later plaatsvindt. Dat wil zeggen dat van elke ontwikkelingsperiode de tijdsduur vastgesteld is. Ze is begrensd en wordt dus door de wil van God beëindigd, als de vastgestelde tijd voorbij is.

En deze tijdsperiode is zo vastgesteld, dat ook degene, die zich tegen God verzet, de tijd op aarde als mens door kan maken. Er worden alleen hogere eisen aan deze mens gesteld, als het geestelijke in de laatste periode nog uit wil rijpen, dus zijn verzet tegen God geheel opgeeft. Maar het geestelijke, dat in deze aardse periode zijn verzet tegen God niet opgeeft, volhardt hier gedurende eindeloze tijden in en heeft weer een verblijf in de vaste vorm nodig, want het heeft zich niet opwaarts ontwikkeld, maar eerder een achteruitgang bewerkstelligd, die een tweede binding in de vaste vorm vereist.

Amen

Vertaald door Peter Schelling