Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2423
2423 Gods liefde en barmhartigheid
27 juli 1942: Boek 33
De goddelijke liefde en barmhartigheid betreffen alle schepselen op aarde en in het hiernamaals. Er is een onophoudelijk werkzaam zijn in liefde in het geestelijke rijk gaande, dat alleen maar de verlossing van het geestelijke ten doel heeft. En vol erbarmen buigt God Zich over elke afzonderlijke ziel, die nog niet verlost is. Want ze bevindt zich in geestelijke nood, zolang ze zich nog niet bewust is van haar fouten en gebreken en deze daarom ook niet probeert uit de weg te ruimen. Dan probeert Zijn barmhartigheid deze ziel tot inzicht te brengen om haar het geluk van de geestelijke vrijheid te kunnen schenken.
In welke vurige liefde Hij de armen om Zijn schepselen slaat, is voor de mensen onbegrijpelijk, omdat ze zelf te weinig in staat zijn om lief te hebben en daarom kunnen ze de mate van de goddelijke liefde eenvoudigweg niet begrijpen. Enkel de mens, die tot liefde in staat is, begint het mysterie van de goddelijke liefde te begrijpen, als hij zelf zijn liefde actief laat worden. Want nu wordt hij ook de gelukzaligheid gewaar, die de actieve liefde teweegbrengt. En deze geluk aanbrengende gewaarwording laat hem de goddelijke kracht van de liefde vermoeden, door welke hij zelf, evenals elk schepsel op aarde en in het heelal, gegrepen wordt. En zodra hij zich door de goddelijke liefde gegrepen voelt, geeft hij zich zonder verzet over.
Maar liefde en barmhartigheid horen bij elkaar. Gods liefde behoort elke wezen toe, dat zich door een werkzaam zijn in liefde voor zijn liefdesuitstraling waardig maakt. En Gods barmhartigheid is ook daar, waar er geen aandacht aan de eeuwige Godheid geschonken wordt, want deze wezens laat Hij niet vallen, maar Hij dingt onophoudelijk naar hun liefde. Hij keert Zich ook naar degenen, die buiten de goddelijke liefde staan. Hij probeert deze mee te trekken. Hij duwt hen in zekere zin naar een leven in liefde, doordat Hij hun telkens weer Zijn geestelijke medewerkers stuurt en zij nu tot een nadenken over zichzelf aangespoord worden. Hij maakt ook Zijn woord aan diegenen bekend, die zich nog van God afkeren.
Hij probeert hen zodoende tot een werkzaamheid in liefde te bewegen, zodat voor hen langzaam het begrip “liefde” duidelijk wordt en ze zich nu vanzelf daarin oefenen en nu ook in staat zijn en waardig bevonden worden om de goddelijke uitstraling van liefde in ontvangst te nemen. Want hoe meer de mens nu in liefde actief is, des te rijper zal hij zijn en des te voelbaarder ook de goddelijke liefde ervaren, als hij zelf een werk van naastenliefde verricht.
Want Gods liefde en barmhartigheid geeft de mensen een teken om hen niet in zielennood achter te laten, want Hij verlangt naar Zijn schepselen en in het bijzonder naar degenen, die nog ver van Hem af staan. Hij laat hen niet aan hun zelfgekozen lot over, omdat Hij weet, dat het gebrek aan kennis de mensen zo laat handelen, zoals ze het in hun liefdeloosheid doen. En daarom wil Hij hen te hulp komen, want Zijn liefde duurt eeuwig.
Amen
Vertaald door Peter Schelling