Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2410

2410 De naastenliefde stemt overeen met de oertoestand van het wezenlijke

15 juli 1942: Boek 32

De actieve naastenliefde wordt niet meer door de mens beoefend, omdat iedereen enkel zijn eigen welzijn nastreeft. De eigenliefde is dus te sterk ontwikkeld. Deze instelling van de mens is tegengesteld aan de oorspronkelijke aard en het oorspronkelijke doel, want het wezen komt voort uit liefde en zijn werkzaamheid moet een werkzaam zijn in liefde zijn. Het ontstond uit de alles omvattende liefde van God en moest weer liefde uitstralen. Maar de menselijke liefde is gering en nauw begrensd. Deze strekt zich alleen maar uit over het eigen lichaam. Het is dus niet gelukkig makend, maar enkel eisend. Ze is niet gevend, maar steeds verlangend en ze zal nooit gelijk zijn aan de goddelijke liefde.

De actieve naastenliefde komt meer met de oorspronkelijke toestand en het oorspronkelijke doel van het wezenlijke overeen en daarom kan het wezen zich alleen maar door de naastenliefde vrij maken van de eigenliefde en weer dichter bij de oorspronkelijke toestand komen. Ze is onbaatzuchtig en wil alleen maar gelukkig maken en bijgevolg moet ze van goddelijke oorsprong zijn, dus uit een hart stromen, dat zich met God verbonden voelt en daardoor de uitstraling van liefde uit God in ontvangst kan nemen.

Goddelijke liefde deelt voortdurend uit, zoals ook de actieve naastenliefde een voortdurend uitdelen van dat is, wat de mens zelf bezit of ontvangt. Eigenliefde daarentegen geeft niet, maar eist alles voor zichzelf op. Ze maakt niet gelukkig en is op geen enkele manier als goddelijk te bestempelen, maar ze bewijst het nog toebehoren aan degene, die de goddelijke liefde afwijst en ten prooi gevallen is aan de liefdeloosheid.

God heeft in Zijn enorme liefde de mens geschapen om het wezenlijke weer naar de oorspronkelijke toestand terug te brengen. Om hem weer te geven, wat hij eens kwijtgeraakt is, omdat Zijn liefde voortdurend wil geven en de ongelukkige toestand niet met Zijn gevoel van liefde overeenkomt. Maar het wezenlijke kan pas dan weer Zijn uitstraling van liefde ontvangen en dus in een gelukkige toestand verkeren, als het zichzelf tot liefde gevormd heeft. Als het zelf in de meest volledige onbaatzuchtigheid liefde uitdeelt. Pas dan komt zijn gevoel, zijn denken en zijn handelen met zijn oorspronkelijke staat overeen, die een staat van de diepste en zuiverste liefde was en daarom was het wezen aan God gelijk en kon het dicht bij Hem zijn.

Maar deze toestand moet ook het wezen weer gelukkig maken, want dit is het einddoel van al het uit God voortgekomen wezenlijke en het kan alleen maar bereikt worden, als de mens de liefde beoefent. Als hij onbaatzuchtig aan de medemensen uitdeelt, wat hij zelf bezit en wat hem zelf begerenswaardig lijkt. Want de gevende liefde is goddelijk en zo moet ze ook de gever tot een goddelijk wezen vormen. Ze moet het hart aansporen tot steeds ijverigere werkzaamheid in liefde en de verwijdering van God steeds verder verminderen.

De in de liefde werkzame mens moet de vereniging met God door zijn werkzaam zijn in liefde vinden en door de goddelijke liefde gegrepen worden, die hem steeds meer doorstraalt, tot het wezen geheel tot liefde geworden is. Tot het weer is, wat het oorspronkelijk was: uit de goddelijke liefde voortgekomen geestelijks, dat in de nauwste verbinding met God staat en net als Hij werken en scheppen kan.

Amen

Vertaald door Peter Schelling