Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2168b

2168b Christendom - Liefdesleer - Onderkennen van de goddelijkheid van Jezus (2)

28 november 1941: Boek 31

De liefdadigheid is voorwaarde voor het weten van de oneindige liefde Gods, want wetend wordt de mens pas als hij in de liefde leeft, omdat de liefde en de wijsheid niet zonder elkaar te denken zijn. Dus leidt de liefde tot het inzicht, bijgevolg zal voor de liefdevolle mens zowel de verlossingsgedachte begrijpelijk zijn, als ook Jezus Christus als Verlosser van de wereld. Want zodra de mens het inzicht heeft, is hij ook op de hoogte van de ontzettende noodtoestand waarin al het wezenlijke zich bevindt bij zijn gang door het aardse leven. De grote verwijdering van het wezen van God wordt hem duidelijk, zoals ook de zwakheid ervan zonder goddelijke hulp. En daarom ziet hij ook de zegen van het verlossingswerk in. Hij weet dat alleen de liefde verlossende kracht heeft en dat Jezus Christus uit liefde voor de mensheid zich zelf heeft geofferd, dat Hij dus door Zijn kruisdood de eeuwige dood van de wezens afwendde, dus dezen heeft verlost. En al staat de mens ook volledig veraf van het christelijk geloof, zijn werkzaam zijn in liefde levert hem het inzicht op in het verlossingswerk van Jezus Christus.

Wie in de liefde leeft, die weet ook dat Jezus Christus zelf de Liefde belichaamde en hij zal zich nooit of te nimmer tegen Hem keren. Hij zal in het hart en ook voor de wereld positief tegenover Hem staan, want de liefde in zijn hart kiest voor Hem. De christelijke leer zal daarom steeds alleen de leer van de liefde zijn, en nooit zal een leer liefde prediken die zich tegen Jezus Christus opstelt. De liefde van de mens moet onbaatzuchtig zijn. Ze moet geven en niet eisen.

In de navolging van Jezus leven betekent alles opgeven wat de mens aantrekkelijk voorkomt en niets verlangen voor zichzelf. Wie dit gebod van de liefde in acht neemt, die volgt Jezus na en zijn aards bestaan levert hem de verlossing uit de geestelijke gevangenschap op. Zijn geest onderkent de goddelijkheid van Jezus en hij twijfelt geen ogenblik wanneer de hele wereld zich tegen hem zou willen keren en hem het geloof in de Verlosser wilde ontnemen. Het inzien van de waarheid hangt er niet vanaf hoe die hem wordt aangeboden. Veeleer wordt alleen die mens wetend die meer zijn hart laat spreken en dit komt tot uitdrukking in werken van onbaatzuchtige naastenliefde.

God is de Liefde en Jezus vormde zich tot Liefde. Bijgevolg was de Godheid in alle volheid in Hem. De goddelijke leer van de liefde moet nu de mens eveneens zo vormen dat het menselijke hart tot woning kan worden van Hem die de Liefde zelf is. Jezus bracht deze leer als eerste aan de mensen over en versterkte ze door Zijn kruisdood. En al zijn de mensen nu ook volledig liefdeloos geworden, toch zal de goddelijke liefdesleer nooit geheel uitgeroeid kunnen worden, want hij is van God en al het goddelijke is onvergankelijk. En al wordt de goddelijke Verlosser ook verloochend, zolang er nog een vonk van de liefde in het hart van de mens gloeit, zal hij opkomen voor de goddelijke Heiland en dit zal hem meer liefde opleveren en hij zal steeds dieper en onwankelbaarder leren geloven dat God naar de aarde is afgedaald en zich in Jezus heeft belichaamd om de mensheid te verlossen, om voor diegenen het eeuwige leven te verwerven die zich tot liefde vormen.

Amen

Vertaald door Gerard F. Kotte