Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/1375

1375 Menselijke bijzaken - Kerkbezoek

08. Apr. 1940: Boek 23

Alles wat op God wijst moet de mens resultaat opleveren, als hij het opvolgt of gebruikt.

Het moet naar God leiden, echter alleen onder de voorwaarde, dat het een levend navolgen is van al datgene wat wordt verlangd. Maar niet elke vorm leidt tot succes. De ene mens zal alleen gemakkelijker het doel bereiken, de andere moeilijker, en wel doordat de laatste zich een weg zal kiezen, die uitermate moeilijk begaanbaar is, terwijl de andere weg gemakkelijker is, maar eveneens een blijmoedig dienen van God kan zijn. Dus de mens onderwerpt zichzelf dus aan voorwaarden, die hem van God uit niet gesteld zijn. Het is leerzaam kennis te nemen van de afzonderlijke leren, die als menselijke bijkomstigheid aan de leer van Christus werden toegevoegd. Het is ten eerste het verplicht gestelde kerkbezoek, dat niet altijd bevorderlijk is voor de geest, maar ook geestdodend kan werken. Het is een buitengewoon onjuiste mening, dat de mens zich daardoor meer op God richt. Het gevaar ligt veel meer voor de hand, dat, wat het diepste innerlijke beleven moet zijn, voor hem tot een mechanisch handelen wordt. De mens die zich werkelijk inspant, zoekt God overal. Weliswaar zal het kerkbezoek hem niet schaden, maar hij kan het contact met God te allen tijde en overal vinden en heeft daartoe geen bijzondere plaats nodig. Het zou derhalve alleen nodig zijn, om het woord Gods te horen, als het anders voor de mens niet toegankelijk is gemaakt en dit vindt alleen de volledige goedkeuring van God, zolang juist alleen de overdracht van het goddelijke woord doel is van het kerkbezoek. Alle andere ceremoniële handelingen zijn min of meer door mensen eraan toegevoegde bijkomstigheden en motiveren nu het begrip godsdienst, ofschoon het dienen van God heel anders is op te vatten dan het bijwonen van zulke handelingen, die met de eigenlijke arbeid aan de ziel niets van doen hebben. Het is volkomen irrelevant en onbelangrijk, of en in hoeverre de mens zich voegt naar de bepalingen, die voorwaarde zijn om bij de rooms-katholieke kerk te horen. De kerk, die Jezus Christus op aarde heeft gesticht, heeft op zich niets met uiterlijkheden van doen. Ze kan wel, ondanks uiterlijkheden, in haar diepste grondbeginselen worden herkend en dus hoeven deze uiterlijkheden geen hindernissen te zijn, de echte leer van Christus te onderkennen en daarnaar te leven, maar omgekeerd horen deze uiterlijkheden er niet noodzakelijkerwijs bij om een ware christen te zijn naar Gods wil. Het is niet moeilijk in te zien, dat juist de vele vormen de mensen afstoten en Jezus Christus heeft zeker niet het binnengaan in de eeuwige gelukzaligheid afhankelijk gemaakt van het vervullen van die door de mensen uitgevaardigde geboden, zoals daar zijn: regelmatig kerkbezoek en het bijwonen van handelingen, die eveneens een door mensen in elkaar gezet theatraal spel vormen, zonder enige waarde en invloed op de ziel van de mens. De mensen moeten bedenken, dat de Heer op aarde een tegenstander was van uiterlijkheden; dat Hij niets heeft gedaan om Zijn woord doeltreffend te bekrachtigen, met uitzondering van wonderdaden, die Zijn goddelijkheid aan de mensen moesten bewijzen. Maar nooit heeft Hij iets volbracht, dat die handelingen nu zou kunnen rechtvaardigen of op één of andere manier motiveren. Integendeel, het zijn slechts door mensen ingevoerde formaliteiten, zonder enige diepere zin dan juist die, die de mensen eraan toeschreven. En dat kan nooit overeenstemmen met Gods wil, dus kan het ook nooit van de mensen worden gevraagd als bewijs van het naleven van de leer van Christus.

Amen