Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/1028

1028 Kloosterleven?

29 juli 1939: Boek 19

Er is een grens gesteld, door de natuur bepaald, waarin het weerstandsvermogen zwakker dreigt te worden. En nu moet de ziel als het ware hulp verwachten, als ze alleen te zwak is stand te houden. De inhoud van het leven van de vrouw heeft meestal daar betrekking op, zorgend en verzorgend bezig te zijn, en de kracht daartoe komt haar in dezelfde verhouding toe, zoals zij de liefde daarbij laat spreken. En dus past op aarde bij de vrouw juist een werkkring, die volop gelegenheid biedt om de ziel rijp te laten worden. En er is geen enge begrenzing van haar plichten nodig, om op aarde te leven in teruggetrokkenheid naar welgevallen van God de Heer. Wie in dienst van de naastenliefde in vergrote mate werkzaam wil zijn, is ook in het vrije leven genoeg gelegenheid geboden. En daarom is het niet bijzonder succesvol voor de ziel, als de mens een werkterrein wordt opgelegd, dat nu wel gewetensvol wordt nagekomen, echter onder een soort zelfdwang - onder voorwaarden, waarin een weigeren of niet nakomen van de plichtsvervulling is uitgesloten - en dus het in praktijk brengen van liefdewerken niet steeds strookt met de vrije wil van de mens. Zonder twijfel kan de wil van diegene, die zichzelf in zo’n toestand van dwang brengt, goed en naar zijn voornemen zijn, het leven helemaal aan de Heer en Heiland te wijden, maar denkt hij er niet aan, hoe omvangrijk ieder zijn aardse leven kan gebruiken en benutten, temidden van het gewoel der wereld, en hoe hem gelegenheden te over worden geboden om werkzaam te zijn in naastenliefde.

Amen

Vertaald door Gerard F. Kotte