Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/0938

0938 Verwaarlozing van de aardse arbeid – Traagheid – Ledigheid

30 mei 1939: Boek 18

Let er op, dat hoe zwaarder jij steeds tegen de innerlijke onrust moet strijden, jij je des te meer aan de regelmatige dagelijkse arbeid onttrekt. Want voor jou is het van zegen, als jij onophoudelijk in werelds opzicht actief bent. De mens heeft, voor wat de ziel betreft, een evenwichtigheid, die hem beter in staat stelt om geestelijke te streven. Bovendien kan dit voor de medemensen alleen maar als bewijs dienen dat het beroep niet hoeft te lijden onder de geestelijke arbeid. En dit is van het grootste belang.

De aankomende tijd van het geestelijk ontwaken, moet tevens gekenmerkt zijn door een buitengewoon actieve lichamelijke bedrijvigheid, want alleen hierdoor wordt ook het bewijs geleverd, dat het absoluut niet zo is, dat een ziekelijke toestand aanleiding moet zijn voor de zeldzame geestelijke arbeid. Dat veel eerder het ene heel goed in harmonie kan zijn met het andere en dat het geen enkele schade hoeft te veroorzaken aan de arbeid op aarde.

En zo wordt jou alleen de waarschuwing toegestuurd om je wel met alle ijver aan de geestelijke arbeid te wijden, er ook in de eerste plaats rekening mee te houden, maar daarbij toch ook aan de aardse verplichtingen te voldoen, voor zover het met het eerste in overeenstemming te brengen is. Dit geeft tegelijkertijd een innerlijke voldoening, die er weer toe bijdraagt dat het mensenkind zich dan met alle liefde en overgave aan zijn geestelijke arbeid overgeeft en zo veel meer en beter in staat is om op dit gebied te werken.

De geringste traagheid van het lichaam heeft ook een hinderlijk effect voor de ziel. De mens wordt lusteloos ten aanzien van elke arbeid en er zijn weer dagen van innerlijke strijd nodig, voordat de oude verhouding weer tot stand gebracht is, omdat allerlei andere indrukken de verbinding met de Vader verstoord hebben en dat slechts met een sterke wil alle verstoringen overwonnen kunnen worden. Want hoe verder het mensenkind van zijn Vader afstaat, hoe moeilijker het opnemen van deze bekendmakingen gaat.

En waar de mens zich van de eigenlijke taak van de geest af laat leiden, daar is ook afbreuk gedaan aan zijn begripsvermogen en de mens staat dan vaak tegenover voor hem onverklaarbare vragen, waarvan de beantwoording niet zo gemakkelijk opgenomen kan worden, omdat het noodzakelijke begrip daarvoor ontbreekt. Dit echter steeds alleen dan, als het mensenkind de geestelijke arbeid verwaarloost en meer aandacht schenkt aan de aardse gebeurtenissen. Want de verleiding is heel sterk. De tegenstander probeert hem, overal waar het maar enigszins kan, afvallig te maken. Wees daarom op je hoede, blijf in gebed en in voortdurende werkzaamheid, want luiheid heeft nog nooit iets goeds teweeggebracht, dus moet de mens zich hier voor hoeden, zolang hij nog in staat is om arbeid op aarde te verrichten.

Amen

Vertaald door Gerard F. Kotte