Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/0342

0342 Mijd de vreugden van de wereld

21 maart 1938: Boek 8

Zonder enig gevaar kun jij je voor alle geestelijke vragen aan ons overgeven. Wij weten waar nood is. En wanneer je ziel nog bezorgd is, dan komt dit voort uit het diepe verlangen je waardig te betonen voor de liefde en zorg van de Heer. Want degene die zich niet verheugt over een bezit, maakt zich nooit zorgen over het verlies. En daarom wil de Heer je vandaag opwekken in de geest.

Mijd alle vreugden van de wereld. Zo luidt Zijn liefdevolle aanmaning. Maar niet om iets van jullie af te nemen wat jullie vreugde geeft, doch slechts om jullie niet onbekwaam te maken om geestelijke leringen op te nemen. Jullie kunnen het niet allebei tegelijk. Want de zintuigen van de mens keren zich zo graag naar de wereldse genoegens toe. En deze laten dan geen ruimte voor iets wat zich niet tastbaar laat vatten, maar slechts opgenomen kan worden met een geest die van de wereld is afgewend. Geheel uiteenlopend zullen deze twee begrippen het menselijke hart beroeren. De mens zal met zijn aardse lichaam steeds verlangen naar aardse vreugden. Maar des te moeilijker zal de Geest erin slagen verblijf te nemen in zijn innerlijk.

De mens richt al zijn verlangens op de wereldlijke genoegens. En het tegemoet komen van het goddelijke Wezen komt hem veraf en onwerkelijk voor, zolang hij nog niet begrepen heeft dat dit pas kan gebeuren zodra er tussen de hemelse Vader en het kind op aarde een contact tot stand gebracht is, dat veroorzaakt is door de eigen wil om met de Schepper in verbinding te treden. Deze wil ontstaat of heeft zijn oorsprong in de ziel van de mens, niet in één of ander orgaan van het menselijke lichaam. Als deze ziel nu bereid is zich aan de Heer te onderwerpen, dan wekt de hemelse Vader dit heilige gevoel in jullie om de vereniging met het hoogste wezen nastreven. En zoals bij elke wil van de mens die spoedig tot daad wordt, zo heeft de vereniging ook reeds plaatsgevonden zodra de menselijke wil dit nagestreefd heeft. En met de vereniging begint voor de mensen een nieuw leven. Een leven dat naast het aardse leven en geheel op zichzelf de menselijke geest vormt en hem tot steeds hogere voltooiing laat rijpen.

Het aardse bestaan als zodanig kan de mensen weliswaar ook genoeg werk geven, zodat daardoor de vervulling van alle aardse behoeften zeker gesteld wordt, maar het geestelijke werken draagt meestal pas vrucht na de voleinding van dit aardse bestaan. Waar het menselijke hart volledig doordrongen is van de wil, de goddelijke Vadergeest te naderen en door de liefde en wijsheid van de Heiland gevoed te worden, daar zal voor het kind van God spoedig zo een rijk innerlijk leven ontstaan dat zijn grootste zorg voortaan zal zijn om van de geestelijke vreugden te mogen genieten. Het zal niet meer naar de wereld en haar vreugden verlangen, maar alle bedrijvigheid van de wereld zal hem oppervlakkig toeschijnen en alleen wat hem geestelijk laaft en verheugt, zal begerenswaard voor hem zijn. En om jullie dit te bieden, om jullie echte vreugden te geven, waarschuwt de Heer jullie voor de vreugden van de wereld.

Amen

Vertaald door Gerard F. Kotte