Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/5248

5248 De genade van de innerlijke verlichting

1 november 1951: Boek 58

De genade van de innerlijke verlichting zal alleen diegenen ten deel vallen die zich innig met Mij verbinden en Mij vragen om de zuivere waarheid. Daartoe behoort als eerste de wil en het verlangen van de mens naar de waarheid, maar die wordt slechts door zeer weinigen opgebracht. Zou deze wil en het verlangen naar waarheid onder de mensen meer aanwezig zijn, dan zou het er waarlijk anders voor staan met de geestelijke ontwikkeling, omdat het juiste weten wijd verbreid zou zijn door de overeenstemming van de opvattingen van allen die een verlichte Geest hebben. Het weten van de waarheid zou ook tot een sterk geloof leiden en een werkzaam zijn in liefde zou al te constateren zijn, wanneer de band met Mij tot stand wordt gebracht, daar anders het verlangen naar de waarheid niet ontwaakt zou zijn, want een mens zonder liefde heeft geen interesse in de waarheid. Zo komt uit het ene het andere voort.

Ik Zelf moet eerst worden erkend. Dus het geloof in Mij moet aanwezig zijn. Bijgevolg is ook met het geloof verbonden, dat Ik als volmaaktste en machtigste Wezen van alles op de hoogte ben en alles kan, dus ook het weten aan een mens kan overbrengen. En daarom vraagt hij Mij vanuit dit geloof erom, zijn Geest te verlichten. Eerst bedoelt hij weliswaar zijn verstand, dat Ik hem duidelijkheid zal geven, en in zekere zin verlicht Ik ook wel zijn denken. Maar het is steeds de Geest uit Mij die ook zijn verstand beïnvloedt, omdat het verstand zonder Mijn Geest niet kan overdragen wat het zelf niet bezit.

Vraagt echter een mens iets voor zichzelf van zijn vriend, dan zal hij zich ook naar diens wil voegen, om hem goedgunstig te stemmen, of ook om hem zijn liefde en dankbaarheid te tonen. Dus zal de mens ook zijn best doen Mij te behagen, en dit door zijn levenswandel bewijzen. Hij zal zelf liefde geven, omdat hij voor Mij liefde voelt, die hem ook aanleiding geeft om verlichting van Geest te vragen. Het ene is ondenkbaar zonder het andere, want ook hierin is een wet werkzaam die niet ongedaan mag worden gemaakt.

Toch heeft de mens nog een tweede mogelijkheid. Hij kan het juiste weten ook van buitenaf in ontvangst nemen door Mijn boden of door geschriften. Weliswaar blijft het voor hem nog zo lang een dood weten dat alleen door het verstand wordt opgenomen, totdat hij zelf juist die voorwaarden vervult: geloof in Mij, liefde en verlangen naar de waarheid. Maar hij kan door dergelijk dood weten worden aangespoord en in overeenstemming met dit inzicht zijn best doen, werkzaam te zijn in liefde.

Hij kan - ook al is het bij wijze van proef - willen geloven en ernaar streven het juiste te doen, en het weten in hem zal leven verkrijgen. Het zal hem gelukkig maken. Mijn Geest begint in hem te werken en hij vindt de weg naar Mij, gedreven door zijn hart, niet door het verstand. Hij heeft de gelegenheid ten volle benut en is tot de juiste wijsheid gekomen, inderdaad ook weer pas door het geloof in Mij, door werken van liefde en het verlangen naar de waarheid, daar hij zich anders niet door zulke vraagstukken zou hebben laten fascineren, die nu juist werden opgelost.

Ik laat Me vinden door ieder die Mij serieus zoekt. Daarom is alleen de wil nodig die zich moet richten op Mij, het Wezen dat ieder mens wel vermoedt, maar dat niet alle mensen willen erkennen. Maar zolang hij zich bewust van Mij afwendt, zolang kan Ik ook niet op hem inwerken om hem door middel van dwang te veranderen. Hij moet uit zichzelf tot Mij komen. Dan ontvangt hij alles wat hij begeert, want Ik handel waarlijk als een Vader tegenover Mijn schepselen die Ik tot Mijn kinderen wil omvormen. En Ik zal er geen iets weigeren wat het daarbij zou kunnen helpen, want Ik heb ze lief en wil ook Mijn Liefde beantwoord zien.

Amen

Vertaald door Gerard F. Kotte