Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/0890

0890 Blik in het hiernamaals – Geloof – Rijpheid – Vrije wil

29 april 1939: Boek 18

Een wijs besluit van de hemelse Vader ontzegt de mensenkinderen het bewuste schouwen in het hiernamaals, want het volkomen weten zou de vrijheid van de wil van de mensen verminderen, omdat hun streven voortaan in een gedwongen toestand gegrondvest zou zijn, en er zich dus geen volkomen vrij geestelijk wezen zou kunnen ontwikkelen, wat echter absoluut noodzakelijk is, wil het in het hiernamaals de opdracht kunnen vervullen, die van eeuwigheid af zijn bestemming is.

Het is daarom ook niet toegestaan, dat de mensen, zolang ze in blindheid van de geest en in een onrijpe staat van de ziel op aarde verblijven, er een zuiver beeld van gegeven wordt in welke arbeid het werkzaam zijn van de geestelijke wezens in het hiernamaals bestaat, want dit zou net zo min geschikt zijn om de mens tot arbeid aan zijn ziel aan te zetten. Daarom worden de bekendmakingen ook zo gegeven, dat ze de mens ook niet tot opname verplichten, maar het volledig aan de wil van het individu ligt om ze als waarheid op te nemen of af te wijzen.

Alle desbetreffende inspanningen van de geestelijke wezens strekken zich enkel uit over een zich op aarde bevindend wezen, dat reeds een zekere graad van rijpheid bereikt heeft, opdat hij meer acht slaat op zijn innerlijke leven en dat het streven naar boven overeenkomend gemakkelijker wordt. Een zeker geloof is dan al voorwaarde, want zonder dit geloof zou het totaal onmogelijk zijn om geestelijke gaven te ontvangen. Slechts de tijdelijke zwakte van het geloof moet nog overwonnen worden, maar de wilsvrijheid blijft volledig onaangetast, want diens wil is op zich al uit eigen aandrang werkzaam, als het mensenkind zo’n verbinding vanuit het hiernamaals naar de aarde verzorgt en zich inspant om het in stand te houden.

Het is echter onnoemelijk waardevol voor de mensenkinderen om de zo ontstane bekendmakingen te benutten. Ze in diep geloof aan te nemen en bijgevolg eveneens te putten uit een leven en genade gevende bron. En opnieuw is daar de voorwaarde van het geloof, want alleen door een gelovig mens wordt zo’n gave in ontvangst genomen, dus het zal nooit een afgedwongen geloof zijn. Terwijl voor de ongelovige mens zo’n gave uit de hemel onaannemelijk en twijfelachtig, of zelfs volledig ongeloofwaardig lijkt. Want er is een grens gesteld tussen de hemel en de aarde. Deze grens te overschrijden is slechts mogelijk voor de mens, die diep in het geloof staat.

Denk daaraan, wanneer jullie het wonderlijke van zulke bekendmakingen in overweging nemen. Weet, dat de Vader in de hemel iedereen naar behoefte, naar waardigheid en naar verdienste bedenkt. Maar dat Hij zijn genade ook naar deze mensen zou willen sturen, die Hem nog niet erkennen. Dat het dus ook voor de geestelijk onrijpe mensen mogelijk is om zich van het in liefde en goedheid gegeven bewijs van goddelijk werken te bedienen, om daardoor de rijpheid van de ziel te verwerven. Dat het hem echter vrij moet staan, opdat hij zich in volkomen vrije wil tot dat ontwikkelt, wat zijn eindbestemming is: tot lichtwezen, dat als kind van God de heerlijkste opdracht te vervullen heeft in de eeuwigheid.

Amen

Vertaald door Peter Schelling