Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/0879

0879 Worstelen van de ziel – Gebed – Vrije wil – Materie

22 april 1939: Boek 18

Onbeschrijflijke moeilijkheden moet de ziel overwinnen, voordat ze meester over alle materie geworden is. Want ze is hier net zo lang mee in gevecht, totdat ze bewust hulp zoekt. En ze zal dat laatste pas dan weer doen, wanneer ze het verlangen naar aardse goederen overwonnen heeft en ze dus als het ware de materie de strijd heeft aangekondigd.

Maar om te kunnen overwinnen, heeft ze de ondersteuning van geestelijke wezens nodig, die bereid zijn om te helpen. Die ze door het gebed dienstbaar aan zich maakt. Maar ze moet evenwel nog zeer strijden en zelf onafgebroken werkzaam zijn, want alleen door eigen arbeid kan de ziel rijpen en de ondersteuning van de geestelijke vrienden bestaat alleen daarin, dat de worstelende ziel de benodigde kracht gegeven wordt, die ze nu echter zelf moet benutten in het besef van haar opdracht op aarde.

Zo heeft elk mens het zonder twijfel in zijn macht om totaal te veranderen, als de wil daar maar eenmaal toe besloten heeft. De mensen geloven soms, dat ze zelf niets kunnen ondernemen en altijd alleen de wil van God uit zouden moeten voeren. En er wordt opnieuw op gewezen, dat de mens in geestelijk opzicht aan geen enkele dwang van de kant van de goddelijke Schepper onderhevig is. Dat hem veeleer de wilsvrijheid gelaten blijft, als het om zijn zielenheil gaat. Zijn denken zal weliswaar door geestelijke zijde naar geestelijke vraagstukken geleid worden. Er wordt hem op vele vragen opheldering gegeven. Maar zijn wil zal volledig vrij kunnen beslissen of, en in welke omvang, de overgedragen gedachten opgenomen en ter harte genomen worden. En evenzo staat het de mens vrij om zich door het gebed de benodigde kracht te verschaffen om aan de zwaarste eisen te kunnen voldoen.

De menselijke ziel heeft dus zonder twijfel een grote opdracht te vervullen, die erin bestaat om voor haar omvorming zorg te dragen, opdat ze zichzelf uit de duisternis van de geest omhoog brengt. Opdat ze zich bevrijdt uit de boeien van de materie. En dat door de liefde. Ze moet onophoudelijk werkzaam zijn om zich te ontwikkelen. Ze moet al het onedele van zich wegdoen. Ze moet de volmaaktheid nastreven en steeds indachtig zijn, dat haar slechts een korte tijd ter beschikking staat, die ze moet benutten voor haar omvorming. Ze moet ook weten dat ze zelf het grootste nadeel ondervindt, wanneer de tijd op aarde haar niet de rijpheid gebracht heeft en ze er daarom alleen maar naar moet streven om onophoudelijk werkzaam te zijn. Onophoudelijk te worstelen en zich te bevrijden van alles wat haar begeerlijk lijkt om uiteindelijk de materie te overwinnen en zich daardoor vrij te maken van elke boei, die haar het omhoog gaan naar lichte sferen belet.

Amen

Vertaald door Peter Schelling